Charles Darwin ontwikkelde de evolutietheorie. De evolutietheorie beschrijft het proces waarbij erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie.
In duidelijke taal zegt het; alles wat leeft, is ontstaan door evolutie. Dieren en planten hebben bepaalde eigenschappen, die ze in de loop van de tijd hebben ontwikkeld, evolutie dus.

In zijn boek (On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle of life) noemt hij twee oorzaken voor zijn ontdekking.
1. Er worden meer nakomelingen geboren dan dat er voedsel en andere bronnen op aarde aankunnen. Er ontstaat ‘Struggle of life’: Alleen de sterksten zullen overleven.
2. In de ‘Struggle of Life’ zullen degenen die het best aangepast zijn aan hun omgeving overleven; ‘The Survival of the Fittest’.

Uit deze twee oorzaken blijkt dus dat de omgeving van fitaal belang is voor de organismen of te overleven en te evolueren. Daarbij heeft een organisme bepaalde eigenschappen nodig om te overleven en er dus voor te zorgen dat ze nakomelingen kunnen kweken. Die nakomelingen hebben ook deze eigenschappen en zullen dus ook weer nakomelingen kweken. Zo sterven ze niet uit, en vind natuurlijke selectie plaats. Natuurlijke selectie betekent dat organismen die beter in hun omgeving passen, meer kans hebben om te overleven en voor nakomelingen te zorgen. De factoren omgeving, noodzakelijke eigenschappen en natuurlijke selectie kunnen dus leiden tot evolutie.

Darwin kwam tot zijn fascinerende theorie doordat hij op ontdekkingsreis naar de Galapagoseilanden was. Daar was hij op onderzoek naar vogelsoorten. Toen hij klaar was op zijn eerste eiland en vogels met stompe, ronde snaveltjes die bessen aten had aangetroffen, kwam hij tot de ontdekking dat hetzelfde soort vogels op het andere eiland spitse, lange snavels hadden, en noten en zaden aten. Zo ontdekte hij dat een organisme zich aanpast aan zijn omgeving, en na de loop van de jaren organismen evolueren en er nieuwe organismen ontstaan.

Nadat Darwin na meer dan 20 jaar zijn theorie over evolutie durfde te publiceren, was een andere wetenschapper (Alfred Russel Wallace) reeds tot dezelfde bevindingen gekomen. Darwin had angst om het te publiceren vanwege de religieuze implicatie van zijn werk. Daarbij werkte Charles Darwin ook erg rustig, en zat er voor zijn gevoel geen druk achter publicatie van zijn bevindingen.

Toen de evolutietheorie eenmaal werd gepubliceerd was dat een grote aanslag op het christendom. De evolutietheorie stond lijnrecht tegenover Gods scheppingsverhaal. Het kon niet zo zijn dat de mens afstamde van de apen, vonden mensen in die tijd. Dit leidde ook tot veel spot en karikaturen. Zelf geloofde Darwin al lange tijd niet meer in het christendom, vanwege alle overduidelijke zaken die tegen het mooie van God ingingen.
Hij zei zelf dit over het geloof:
‘’In de periode 1836 tot 1839 kwam ik geleidelijk tot het inzicht dat het Oude Testament niet geloofwaardiger is dan de heilige geschriften van de Hindoes of het geloof van de een of ander primitieve wilde. Ondanks al mijn verbeeldingskracht werd het steeds moeilijker bewijzen te vinden die me konden overtuigen. Zo bekroop mij geleidelijk de twijfel, tot ik uiteindelijk ongelovig werd.’’

Tegenwoordig laat bijna elke wetenschapper zich door de theorie van Darwin leiden. Het bewijs van deze theorie kan men zien aan de bouw van bijv. zoogdieren; ze hebben allemaal dezelfde skeletopbouw, longen en we planten ons op dezelfde manier voort.

 

 

 

 

This free website was made using Yola.

No HTML skills required. Build your website in minutes.

Go to www.yola.com and sign up today!

Make a free website with Yola